|
Paleis
Noordeinde Enkhuizen, 15 oktober 2005 Geachte mevrouw, Met grote belangstelling heb ik de troonrede gevolgd. Ondanks dat u hem niet zelf heeft geschreven (maar ik neem aan dat u er wel achter staat, anders leest u hem natuurlijk niet voor) heb ik er van genoten. Wel schrok ik een dag later van de reacties. Vooral van het feit dat 7 miljoen mensen de troonrede niet hadden begrepen. Zelf ga ik er van uit dat ik bij de minderheid hoor die het wel heeft begrepen. Qua daden en gedachten hoor ik vaak bij een minderheid en eigenlijk voel ik me daar wel gelukkig bij. Zo kunt u misschien ook beter begrijpen waarom ik lid ben van de Pacifistisch Socialistische Partij’92 (PSP’92). Ook uw moeder had trouwens sympathie voor het pacifisme, maar dit terzijde. De PSP’92 is een republikeinse partij, maar landelijk gezien hebben zij op dit punt ook een minderheidsstandpunt. Echter bij mij is, op dit punt, na het horen van de troonrede grote twijfel ontstaan. Het betreft de passage: ‘De zekerheid van een baan voor het leven neemt af’. Dit zou betekenen dat er een kans is, hoe miniem misschien ook, dat ik koning kan worden? Nu is het niet van landsbelang maar voor mij wel van levensbelang of ik aangaande dit punt de troonrede goed heb begrepen! Als dit het geval is, dan moet ik wel mijn republikeinse idealen laten varen, maar ‘zaken gaan tenslotte voor het meisje’. Om het toch al vast een beetje te vieren ga ik in ieder geval een vlag kopen.
Met
koninklijke groet, |